Ajax-Tottenham 8 mei 2019

“Hey, en bedankt! Dat ik me #%$$^% zo heb verloren in het spel. Dat ik me uiteindelijk toch heb overgegeven aan het meegenieten van elke wedstrijd die Ajax speelde!”
Ik vloek stampvoetend door de kamer. Woest ben ik. Op mezelf.
“Dit nooit meer”, schreeuwt een woedend kind in mij.
“Ik laat me nooit meer zo meeslepen.”

Als ik even later in de tuin tot bedaren kom (mijn dochter, die ook uit haar voegen barstte, blijft doodleuk voor de tv zitten om wel de nabeschouwingen te zien), hoor ik het mezelf allemaal zeggen. En ik betrap mezelf erop dat er blijkbaar in mij een vurig verlangen huist, dat deze cup ook zo graag wil winnen. Omdat ik vind dat die jonge gasten van Ajax het zo waard zijn, het zo verdienen om voor hun mooie eerlijke spel beloond te worden.

Ik merk op dat iets heel ouds en kinderlijks in me word getriggerd. In mijn gedachten flits ik terug naar mijn kindertijd, toen ik een jaar of 8 was. Ik zie mezelf in mijn Snoopy-dagboek driftig alle pagina’s vol krassen: “Ik haat Freddy, ik haat Freddy, ik haat Freddy. Ik hou nooit meer van jou.”

Toen mijn eerste vriendje op de lagere school (wiens naam ik in dit verhaal heb gefingeerd) het cadeautje terugvroeg, dat hij mij ooit had gegeven -een zilverkleurig armbandje met LOVE in het metalen plaatje gegraveerd- toen sloeg het verdriet van het verlies om in boosheid, herinner ik mij. “Dit nooit meer”, moet ik toen al hebben gedacht.
De pijn die ik namelijk in mijn kleine meisjeshart voelde omdat mijn mini John Travolta letterlijk en figuurlijk het cadeau van de liefde terugnam, waarvan ik dacht dat hij mij die onvoorwaardelijk had gegeven, die pijn wilde ik nooit meer.
Dus besloot ik voor mijzelf: “Ik geef mij nooit meer over aan die verliefdheid en vleierij van die jongens. Ik zal mij nooit meer zo kwetsbaar laten zien.”
Dat was mijn eerste val uit het paradijs. Althans, dat vermoed ik.

En nu weer. Ik hoor het mezelf hardop tegen mijn dochter zeggen: “Ik heb me weer laten inpakken door dat mooie spel van die jongens. Ik heb me uiteindelijk toch voorzichtig overgegeven aan alle Ajax manie en toen ik met alle passie die ik in mij heb, springend op de bank stond te brullen als ze scoorden, voelde ik dat ik leefde. Doodzonde van mijn energie.”

Huh? Wat zeg ik? Durfde ik dat echt? Uit volle borst schreeuwen en voelen dat ik leef?Heb ik ook die passie en dat levensvuur, die ik zie in al die ogen van die mannen die zich niet alleen op het veld in de arena, maar ook op de tribune van die arena begeven? En waar ik bij tijd en wijle cynisch van zeg: “Heb je niets beters te doen?”
“Mijn god…zij hebben het lef, de moed om alles in de ogen te kijken”, gloort er langzaam in mijn bewustzijn. “Zij nemen zowel de winst als het verlies.”

Thank you…

Thank you? Ja, thank you. Het is vreemd, maar waar. Ik voel precies wat Brene Brown vertelt in haar laatste TedX talk ‘The call to courage’:

De sleutel om te verwijlen in je eigen kwetsbaarheid, is dankbaar te zijn naar de uitkomst, wat het ook moge zijn.

En gek he…het klopt. Dankbaar voel ik me nu dus.
Dat ik ben gesprongen in de euforische oceaan van kwetsbaarheid en ook gewoon weer ben komen bovendrijven, toen ik ontdekte dat zelfs de oceaan van extase een aardse bodem heeft waar je met je billen op kan vallen. Another fall out of paradise.

Nu moet ik wel zeggen dat de uitwisseling met mijn broer – die fanatiek gamer was en nu professioneel serious game developer is- wel heeft geholpen in het verkrijgen van dit inzicht. Ook hij levert zijn strijd met die woorden, zinnen en bijgeloven, die zich na zo’n erbarmelijke afloop als kwelgeesten in je hoofd willen wroeten: “Wat als, hadden zij maar, had ik maar niet…”

Maar gelukkig niet lang, merken we beiden op.
“Elke neiging om me te buigen over die ‘what if, then that’- vraag, verzaak ik”, vertel ik hem. “Want wat heeft het voor een zin? Dit is wat het is.”
“Precies”, zegt m’n broer: “Trek je les eruit. De match, het spel is als metafoor voor het leven.”

Door dit gesprek voelt het even alsof de kwelgeesten zijn opgelost. Maar, dan als we ons gesprek beëindigen, zie ik, vanuit mijn ooghoek, een kleine Joker in de hoek van mijn kamer staan. Je kent ‘m wel, zo’n lenig manneke in zo’n gekleurde wiebertjes legging  en een grote grijns op zijn gezicht.
Hij daagt me uit: “Ben je je nu aan het verstoppen achter de façade van de metafoor ‘Deze match is als het leven?’ Ga je niet opnieuw iets uit de weg als je zegt dat je geen aandacht meer wil besteden aan de analyse-achteraf? Als dan, dat dit, dan zus, dan zo?”
En terwijl ‘ie dit naar me roept, verleidt hij me om het spelletje hide-and-seek met hem te spelen. Dan zie ik ‘m wel, dan zie ik ‘m niet.

Hm, ik vind ‘m grappig, maar ook vervelend, merk ik. En ik vind dat ik een passend antwoord heb te geven. Dus ik zeg hardop: “Zou het kunnen zijn dat  het zoeken naar metaforen geen verstoppertje spelen is, maar meer een vorm van heling? Een zachtmoedig benaderen van een oer-wond, die in ons allemaal huist?”
“Oer-wond?” ,vraagt de Joker.
“Ja”, antwoord ik. “De wond die al vroeg in ons geheugen geslagen wordt door een diepgevoelde angst voor verlies van controle?”
“Het verhaal en de metafoor dus als zachte heelmeester”, zegt de Joker. “Maar die maken toch stinkende wonden?”
“Ja, dat zeggen ze”, antwoord ik. “En toch ben ik geneigd om te zeggen dat dat niet 100% waar is.”
“Want?…”, zegt de Joker op een zeurderige manier.
“Want iets in mij is bereid mezelf en anderen net zo lang mijn verhalen en metaforen te vertellen, met een bijna dagelijkse discipline, totdat ik in mijn eigen verhalen patronen ga zien. Net als een heelmeester uit vroeger tijden, die de taak had om wonden te verzorgen. Daar had je toewijding, geduld en discipline voor nodig. Elke dag weer dezelfde handelingen verrichten. Vies windsel eraf, alcohol erop, schoon windels eromheen. Net zo lang tot de wond er klaar voor was om aan de lucht te drogen.

“Gats”, zegt de Joker. “Ik zie het helemaal voor me. Dat je zo in dat gapende gat van zo’n naakte wond kijkt?”
“Precies, dat is het moment dat je klaar bent om de naakte waarheid, ofwel de realiteit onder ogen te komen”, antwoord ik.
“En wat is dat dan in het geval van die wedstrijd Ajax-Tottenham….?” De kleine Joker prikt plagend zijn vingertje in mijn zij. Ik schrik op en moet lachen.
“De realiteit is dat er een tijd is van winnen en een tijd van verliezen. Je wordt geboren en je gaat dood. Niets meer, niets minder. En dat is heel gewoon een f….”.
Maar de kleine Joker laat mij niet uitpraten, slaat zijn handje voor mijn mond om vervolgens mijn zin af te maken:
“…doood-gewoon…een feitelijke constatering van de werkelijkheid.”

“Dát is leven, Altje”, terwijl hij rammelt met zijn ratel.
“Leven met een grote L.”
“Hahaha”, deze joker heeft me te pakken en de een na de andere overtroevende grap komt in me op: “Je bedoelt zeker de L van…”

Maar als ik om me heen kijk, zie ik dat ‘ie is verdwenen.
“Jaja, de L van The fooL in me”, komt in me op.
“Hey…enne… bedankt.”

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s